Verhalen

Hier plaatsen we teksten van Ypsilonners en anderen over alles wat raakt aan de problematiek van patienten en familie/naasten met een psychiatrische achtergond. De teksten mogen niet te lang zijn en kunnen de vorm hebben van een column.
Hebt u een tekst die hieraan voldoet, stuur die dan aan ons door middel van dit formulier
De redactie bepaalt of de tekst geplaatst kan worden.

Het verhaal “Voorjaar”

Van de winter vallen we zo in het voorjaar. De temperaturen zijn bijna zomers. Alles wordt opeens groen en als ik naar de sloot loop hoor ik geplons van een paar kikkers die zaten te zonnebaden en nu snel weer het water in duiken. Dat is nou echt iets waar ik blij van word. En wie niet zou je zeggen?

Omdat het zulk mooi weer is besluit ik mijn dochter op te halen uit de instelling waar ze verblijft, zodat ze fijn bij ons in de tuin kan zitten. Mijn dochter is psychotisch. Altijd. Praten met haar is een moeizame zaak. Zij wordt te veel in beslag genomen door de personages die zich aan één stuk door met haar bemoeien en haar in een andere wereld trekken. Het is een wereld waar ze mij maar heel zelden een kijkje in gunt.

Het was ooit een heel vrolijk en origineel meisje, maar ze werd wel veel geplaagd door hoofdpijn. Erge hoofdpijn, vooral als er iets leuks stond te gebeuren. Een feestje of een schoolreisje. Maar ook bij kleinere gebeurtenissen die voor haar spannend waren. Het woord ‘stress’ gebruikten we toen eigenlijk nog niet. Haar basisschooltijd kwam erg in het teken te staan van het ziek zijn. Noem een specialist en we zijn er geweest. Wat zijn de symptomen? Altijd maar moe, moe, moe, heel veel hoofdpijn en overgeven. Daarna weer een paar goede dagen of zelfs een hele week zonder die narigheid. En dan begint het weer opnieuw. Uit geen enkel onderzoek van welke medisch specialist dan ook is iets tastbaars gekomen, iets waar we houvast aan hadden.

Het voortgezet onderwijs is, na een moeilijke brugklasperiode, een wat betere tijd. Ze heeft wel eens een dip en is dan erg somber. Maar ze kan ook wel weer heel vrolijk en grappig zijn. Ze is goed in sport en geniet van buiten zijn, van haar eigen vijvertje. Ze heeft vriendinnen, soms een vriendje en haalt zowaar vlot haar eindexamen. De cijfers vallen haar wel wat tegen. Echt lager dan ze gewend was. Ze vertelt ons dat ze tijdens een paar van de examens een soort black-out had. Ach, zeggen we, jammer natuurlijk, maar heel erg is het niet. Niemand vraagt later nog naar die cijfers. Misschien heb je je van tevoren toch erg zenuwachtig gemaakt?

Ze gaat studeren, de eerste resultaten zijn goed. Maar al voor de Kerstvakantie houdt ze er mee op. Ze voelt zich depressief. Ze is permanent doodmoe. Ze kan zich nergens meer op concentreren.

We zijn nu jaren en een hoop opnames verder. Ik kijk naar haar, terwijl ze naast me in de tuin zit. ‘Hoor je de vogels?’ Ze geeft geen antwoord en houdt haar ogen dicht. Ik probeer het nog eens. ‘Lekker hè, in de zon?’ ‘Ja.’ ‘Kijk de paarden galopperen!’ ‘Ja’  Dit en nog een paar soortgelijke uitwisselingen is onze conversatie, die eerste warme dag. Toch hoor ik later van haar spv-er dat ze ‘zo fijn bij haar ouders in de tuin had gezeten’. Ik ben blij, want hoe moeilijk ik dat ook vind, ik heb geleerd te accepteren dat zij een hoop dingen niet zo voelt als ik ze voel. Hoe kan ze ook? Deze wereld, waar ik haar zo graag in zou willen betrekken, hangt er voor haar maar een beetje bij.  Zij heeft een andere wereld.